Ds. Ph. van Wijk, Nieuwleusen

 

Voor en na de dag in december.

 

 

“De Protestantse Kerk in Nederland is een feit.” Letterlijk werd die conclusie getrokken toen op 12 december jongstleden de stemmen waren geteld. Maar dat was wel een conclusie die heel kort door de bocht genomen werd. Er zal nog heel wat water door de Rijn stromen voordat het zover is. Nee, niet dat het besluit nog eens terug te draaien zal zijn. Maar het is nog geen 1 mei. En tot 1 mei aanstaande staat de geschiedenis niet stil. “Achter ons laten wij veel onzekerheid en onrust” zo luidde het in de kanselboodschap van zondag 14 december, die door de kerken was uitgevaardigd. Maar iedereen weet dat onzekerheid en onrust in veel plaatselijke gemeenten geen voltooid verleden tijd zijn met dit besluit, maar er alleen maar door verhevigd worden. In die zin bedoel ik mijn uitspraak: het is nog geen 1 mei.

Al met al een wel wat schrijnende vereenvoudiging van een heel complex gebeuren. Wie alleen al naar de uitslag van de stemming over het besluit kijkt, beseft dat. Maar kennelijk kunnen we moeilijk met een complexe werkelijkheid leven. Je leeft gemakkelijker als je de dingen vereenvoudigt.

En dat dingen zo gezegd worden maakt me niet helemaal gerust.

 

Maar zulk een vereenvoudiging vindt niet alleen plaats aan de kant van de grote meerderheid en de bestuurlijk verantwoordelijken die de besluitvorming als een bekroning en bevestiging ervaren.

Ik zie die ook bij de grote minderheid die dit besluit met man en macht hebben trachten tegen te houden, en daarom nu diep betreuren.

Ik heb er behoefte aan om duidelijk te maken dat ook binnen de kring van de Vrienden van Kohlbrugge er niet een eenduidige opvatting heerst over de totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland. Een geluid dat ten minste een aanvulling is op dat wat in de voorbije tijd is gezegd, met name van de kant van de eindredacteuren van Ecclesia. In het blad zelf en in het Reformatorisch Dagblad. En misschien gebied de eerlijkheid om te zeggen: meer dan een aanvulling! Wat ik wil zeggen is in een aantal opzichten toch een ander geluid.

 

De vraag heeft mij beziggehouden (en doet dat nog steeds) of door dit besluit de Nederlandse Hervormde Kerk wordt opgeheven. Een gebeurtenis die alleen maar kan beschreven worden als een dies ater in de geschiedenis, te plaatsen in de rampencatalogus die wordt opgesomd in het artikel ‘Een dag in december’, van ds. Geluk en dr. Klink in het nummer van 6 december jongstleden.

Maar is dat zo? En het antwoord op die vraag wil ik niet geven in de puur organisatorische zin zoals de synode dat ons gegeven heeft: de Hervormde Kerk wordt voortgezet in de Protestantse Kerk in Nederland.

Maar ik wil graag een spa dieper steken met de vraag: bestond die Nederlandse Hervormde Kerk eigenlijk nog wel? Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat de Nederlandse kerk die de auteurs bedoelen eigenlijk al voor een groot deel verdampt was.

In 1994 heb ook ik het door dr. W. Aalders geschreven Hervormd Pleidooi ondertekend. Sterker nog: ik heb een actieve rol gespeeld bij de totstandkoming ervan. De Hervormde Kerk die daarin getekend wordt was het waard om door te dragen in een proces waarin kerken elkaar zoeken. Maar die tekening van de historische Kerk in Nederland is nauwelijks herkend. Er zijn heel wat adhesiebetuigingen geweest, maar tegenover de massiviteit waarmee dit pleidooi is afgewezen of genegeerd zijn ze slechts marginaal geweest. En dat gegeven zou wel eens een symptoom kunnen zijn van het feit dat een aantal grondtrekken van wat de Nederlandse Hervormde Kerk zou moeten en kunnen zijn, al langer in een sluipend proces teloor zijn gegaan. Er is op het grondvlak nauwelijks kerkelijk besef meer. Maar dat vertaalt zich ook naar de afwezigheid van echt historisch en kerkelijk besef in de bovenplaatselijke vergaderingen van de kerk. Daardoor heeft de praktijk van het kerkelijk leven zich steeds verder verwijderd van wat we in het Hervormd Pleidooi met passie naar voren hebben willen brengen.

Het is kenmerkend dat van de kant van degenen die het meest treuren om het verlies van de Hervormde Kerk bijna alleen gehamerd is op het aambeeld van de belijdenis. De nieuwe kerk is niet meer exclusief gereformeerd, is hun bezwaar. Een zodanig ernstig bezwaar dat velen niet met een goed geweten de nieuwe kerk kunnen aanvaarden, en daarom in schier onmogelijke dilemma’s terechtkomen. Maar de belijdeniskwestie maakt niet (uitsluitend) de identiteit van de Nederlandse Hervormde Kerk uit. Bovendien wordt door deze groep de belijdeniskwestie mijns inziens op onjuiste wijze gesteld. Daarover straks meer. Mij is  duidelijk geworden dat men van genoemde kant niet echt gestreden heeft om het behoud van de Nederlandse Hervormde Kerk, maar om wat men als de eigen vaak nauwelijks echt hervormde nestgeur van de kerk is gaan beleven.

Wie kennis neemt van wat in de meest orthodoxe classis van de Hervormde Kerk, de classis Alblasserdam, als een convenant is opgesteld, aan de hand waarvan men ook in de toekomst hervormd denkt te kunnen blijven, kan met recht de vraag stellen hoe hervormd dit stuk eigenlijk is. En de kerkelijke praktijk in die classis kennende, verbaas ik me daar nauwelijks over.

 

Al met al acht ik het een te grote vereenvoudiging te stellen dat op 12 december 2003 met het fusiebesluit de Hervormde Kerk weg is. Die was in de zin waarin velen die nog denken, al voor een groot deel weg. Ik merk een hang naar restauratie daarvan. Maar doet dat recht aan de werkelijkheid? Het gevaar dreigt dat je op die manier de historie ideologiseert. En wie dat doet komt snel terecht bij wat men de tegenpartij verwijt: “Levend voor één ideaal, voor één overwaardig denkbeeld. Blind voor al het andere”. Wrokkerigheid, ressentiment ligt dan op de loer als dat ideaal gefrustreerd wordt.

Moeten we niet met Luther stellen dat de schaal gebroken is, de soep er uit weggelopen, en dat we daarom de stukken er maar achteraan moeten gooien? Ik heb in de classicale vergadering van Zwolle, waar het fusiebesluit werd geconsidereerd, voor gestemd. Ik zou dat ook op 12 december hebben gedaan, als ik synodelid was geweest. Niet omdat ik overenthousiast ben over het proces en de nieuwe kerk. Daarin is veel, heel veel wat indruist tegen wat de kerk eigenlijk kan en mag zijn. Maar omdat ik een restauratie van de Hervormde Kerk niet mogelijk acht.

In het Hervormd Pleidooi is verwezen naar het feit dat onze tijd zich kenmerkt door meerdere processen van eenwording. We beleven in deze dagen de moeizame gesprekken over de grondwet voor een verenigd Europa. Wanneer wij in dit tijdsgewricht alleen maar met heimwee kunnen terugkijken naar een vervlogen tijdperk, dan missen we de aansluiting met de werkelijkheid. De contacten en verbanden waarin gemeenteleden leven verbreden zich. De wereld is veel kleiner geworden, en vaak leeft men letterlijk grensoverschrijdend. Binnen dat zich verbredende raamwerk is het nodig om oecumenischer, of zeg: katholieker ingesteld te raken. En dat zou veel grootser en katholieker kunnen dan in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is getekend. Dat is waar. Maar als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. We zullen elkaar nodig hebben. In hetzelfde nummer van 6 december van ons blad treffen we het portret van een rooms-katholieke journalist tegenover dr. W. Aalders. En het trof mij dat Aalders met hem spreekt over de rol van de katholieke Kerk voor Europa. Zogoed als het me trof dat Aalders zonder meer herkenning vindt in zo’n katholieke journalist.

Na het midden van de jaren negentig is het duidelijk geworden dat deze betekenis van de kerk voor de samenleving niet meer mogelijk was in de Hervormde Kerk in oude statuur. De samenleving is zijn verbanden kwijtgeraakt. Is oneindig complexer geworden. Daarin is één Christusbelijdende volkskerk zoals de Hervormde Kerk die wilde zijn misschien wel een anachronisme geworden. Maar daarmee is de toekomst nog niet dichtgeslagen. Ook in het uiterst gebrekkige raamwerk van de Protestantse Kerk in Nederland liggen mogelijkheden. Dat de twee grote protestantse tradities daarin tot elkaar zijn gekomen is niet onbelangrijk. We hebben elkaar nodig in deze tijd. Ik zie aan een van mijn vrienden dat de perspectieven heel anders liggen, dan wij vaak gedacht hebben. Hij theologiseert en doceert aan de evangelisch lutherse en de rooms-katholieke faculteiten in Budapest, Leuven en Nijmegen. Hij spreekt met studenten van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam die in het nihilisme, het atheïsme en het agnosticisme van onze tijd zijn gedrenkt, maar die een opmerkelijke openheid vertonen als er ad fundamentum doorgepraat wordt over de achtergronden van onze tijd. Ik zeg niet dat de velden wit zijn om te oogsten, maar wel dat de oogst soms op andere plekken begint te rijpen dan wij denken.

 

De belijdeniskwestie.

Ik kom terug op de belijdeniskwestie. Veel van het verzet tegen de fusie van de kerken is gefocust geweest op het gegeven dat elkaar tegensprekende belijdenissen als grondslag van de nieuwe kerk zouden gaan gelden, en dat de kerk haar exclusief gereformeerde karakter zou gaan verliezen. Ik heb boven al aangegeven dat ik dat een te weinig hervormde insteek vind. Heel deze insteek geeft te kennen dat men rakelings langs het standpunt van de Afscheiding heen scheert. Of dat misschien zelfs wel impliciet inneemt. Als de kerk alleen geaccepteerd kan worden als ze een zuivere belijdenis heeft, dan zijn 1834 en 1886 en nog zoveel andere jaartallen nadien heel dichtbij.

Maar op de wijze waarop de belijdenisgeschriften hierbij worden gehanteerd valt wel wat af te dingen. De belijdenisgeschriften worden naar de letter gelezen en losgeweekt van hun werkelijke historische setting. Daarmee wordt te veel uit het oog verloren dat ze belijdenisgeschriften zijn. Per definitie is belijden belijden in de tijd. Belijden tegenover. Daarbij kun je dus nooit voorbijzien aan de historische setting waarin het geschiedt. Week je ze daaruit los om ze tot onveranderlijke letter voor alle tijden te maken, dan kom je inderdaad in de dilemma’s terecht die voortdurend over het kerkpolitieke voetlicht zijn gekomen.

Juist daar waar men meent zich op de historie te kunnen beroepen geeft men nogal eens blijk van een a-historische instelling. De Gereformeerde Belijdenisgeschriften zijn ontstaan in een tijd waarin een enorme dynamiek heerste in de geschiedenis. Het is niet voor niets dat veel Europese landen hun eigen reformatorische belijdenisgeschriften kregen. Dat had alles te maken met het ontstaan en versterken van nationale identiteiten. De kaart van Europa werd nieuw getekend. Die historische setting kun je ook terugvinden in het er in gehanteerde mensbeeld dat na de Middeleeuwen ontstond, en in het filosofisch kader waarin men dacht. Er zijn toen geweldige antwoorden gegeven op de dynamiek en vragen van die tijd. Het belijden was uiterst actueel. Maar nu liggen de kaarten geheel anders. De Gereformeerde Belijdenisgeschriften door middel van evocaties nieuw leven trachten in te blazen, staat gelijk aan het oppoetsen van schrijnen waarin relikwieën worden bewaard.

Waar het op aankomt is om met dezelfde geloofspassie in het hier en nu te belijden, tegenover de vragen en dynamiek van onze tijd. Dan pas sta je op de bodem van de belijdenis. Dan pas kun je spreken van de religie van de belijdenis.

Maar het is opmerkelijk dat er weinig terecht is gekomen van een belijden in deze tijd. Van een belijden dat ons verlost van de goden van deze eeuw. Integendeel, men is zelf in deze wijze van hantering van de belijdenis ten prooi gevallen aan een geraffineerde vorm van postmodernisme. Men heeft de ark van de belijdenis uit het heiligdom gehaald, en die op het kerkpolitieke strijdtoneel als mascotte trachten te gebruiken. De oude Eli zat bij de gebeurtenis waar ik naar verwijs op zijn op zijn stoel aan de kant van de weg in afwachting, want zijn hart was vol zorg over de ark Gods. En niet zonder reden meldt de Bijbel dat de ogen van de achtennegentigjarige Eli star stonden, zodat hij niet meer kon zien. En dat hij oud en zwaar was. Een vroom man. Maar uit zijn tijd gegroeid, geen visionair meer. Immobiel.

Maar in datzelfde verhaal wordt ons duidelijk dat God niet van Eli en niet van de ark afhankelijk is. Dat Hij een jonge man heeft klaar staan, die in een tijd waarin het Godswoord schaars is geworden een teken van hoop is. En als de ark terugkomt bij de Filistijnen vandaan, dan lees je niet of nauwelijks dat deze Samuël deze ark als het centrum van zijn profetische arbeid heeft gekend. Aan de grenzen van het land blijft die voorlopig in een schier vergeten hoek aanwezig. En pas tientallen jaren later wordt die onder David weer teruggebracht. En God openbaart zich ondertussen op andere wijze in Israël.

 

Een dergelijke wijze van hanteren van de belijdenisgeschriften is niet alleen in strijd met een werkelijk historisch besef, het is ook in strijd met het evangelie zelf. De belijdenisgeschriften worden op deze wijze gebruikt als middel tot exclusiviteit en uitsluiting. Wie niet langs de lat van de letter past wordt met argwaan bekeken, en buiten de deur van de kerk gehouden. Het is een dergelijke houding die in het evangelie leidt tot de uitsluiting van Jezus Zelf! En dat met een beroep op geloof der vaderen en op de waarheid.

 

Ik acht het daarom ook een onjuiste versimpeling als ds. Geluk in het Reformatorisch Dagblad van 5 december jongstleden (zie het internetdossier over Samen op Weg) in een opiniërend artikel de tegenstanders tegen Samen op Weg groepeert onder hen die putten uit een religieuze bron, en de verantwoordelijken voor het proces onder ideologische, zelotische ijveraars. Waaraan onderken ik dat onderscheid? Wie oordeelt hier naar waarheid? Er zijn er velen die met een oprecht hart en een religieus gemoed hebben gebeden om de eenwording van de kerkenin het Samen op Weg-proces. Bij velen ongetwijfeld met veel onkunde over de werkelijke historische lijnen. Maar er zijn er niet minder die onder de mantel van vrome religiositeit en een beroep op de belijdenisgeschriften zelfgenoegzaam menen de waarheid te bezitten en van daaruit zelotisch ijveren voor hun godsdienst. Het is een waarheid geworden die de leugen in zichzelf niet meer herkent en gevangen zit in een geest van zelfbevestiging die anderen uitsluit. De verdeeldheid onder de tegenstanders die nu al met heftigheid naar voren komt is er een symptoom van.

Een dergelijke vereenvoudigde wijze van beschrijven van het probleem als door ds. Geluk geschiedt bevestigt veel kerkleden in die zelotische houding. Nu al worden verjaardagen en familiebezoeken en beheerst en verziekt door verkettering van hen die de keus hebben gemaakt of maken om mee te gaan in de Protestantse Kerk in Nederland.

Bovendien is een dergelijke benadering vruchteloos voor de toekomst. Ik weet wel dat er allerlei keuzes gemaakt zijn in de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland die te betreuren zijn, en dat de praktijk er een zal zijn van weinig cohesie en kerkelijke gemeenschappelijkheid. Dat een actueel belijden in de Protestantse Kerk in Nederland niet mee zal vallen. Ik heb op 12 december de vlag niet uitgestoken. Maar een voortgaande negatieve benadering zoals ik die in de publicaties helaas heb moeten lezen, leidt tot verdere verstarring. Het leidt tot een nog sterker exclusief denken, een voortzetting en verzwaring van de attitude die velen van de tegenstanders ook in de Hervormde Kerk gedurende de laatste decennia al hadden aangenomen: die van met uitsluiting van andersdenkenden zich terugtrekken in een eigen groepje.

 

Jezus heeft de tegenstelling tussen Joden en Samaritanen niet doorbroken door het verwaterde en hier en daar syncretistische geloof van de Samaritanen te verketteren, maar door beiden, Joden en Samaritanen onder de veelbelovende noemer van de metanoia, de bekering te plaatsen. Die keus en die houding van Jezus kan ons misschien helpen om in deze tijd vooruit te komen.