Barendrecht, Dorpskerk.

zondag 27 juli 2008.   Ds. Ph. van Wijk

Bijbelgedeelten:  1 Koningen 3 : 5-15  / Psalm 72

 

Lieve gemeente,

 

Mijn studieverlof is voor een groot gedeelte opgegaan aan het bezig zijn met geweldsproblemen in Kenia. U weet, het land waar we als gezin een bijzondere band mee hebben omdat we er gewoond en gewerkt hebben.

In Amerika sprak ik op een conferentie over gebeurtenissen in het dorpje Rurigi, waar zich pijnlijke dingen hadden afgespeeld met een man die bijna vermoord zou worden. Maar tegelijk ook een dorp dat zelf als geheel het slachtoffer werd van vreselijke dingen, begin dit jaar. Alle 350 huizen en hutten verwoest. De akkers geruïneerd. Doden. Gevolg van bittere jaloezie en sluimerende vreemdelingenhaat.

Het dorp weer opbouwen durft men bijna niet.

 

Ik ben tenslotte zelf in Kenia geweest en zag met eigen ogen wat er is gebeurd. De vluchtelingenkampen. De verwoeste dorpen. Voelde iets van de onderlinge spanningen. Het is niet over. Integendeel. Hoewel in de meeste steden en dorpen men het leven weer heeft opgepakt.

 

Is er dan geen regering en leger om ze te beschermen? Is er dan geen recht?

Als je beseft dat onderlinge stammentegenstellingen ook verder verscherpt zijn als gevolg van de belangenstrijd van de grote ‘jongens’ in de politiek, voor wie vaak het regeren betekent je te kunnen verrijken of je vaak extreme rijkdom en je baantjes en posities en privileges te beschermen, dan voel je wel aan: dit is weinig hoopgevend. Nee, de regering die eigenlijk het probleem van de verdeling van land zou moeten aanpakken en de vreedzame samenleving van de stammen langs kanalen van wijsheid bevorderen, zit gevangen in haar eigenbelang.

 

Ik sprak met de evangelist, die met mij het werk van het project, waarvoor ik in Afrika ben geweest, heeft opgezet en met enorme goede inzet tot een prachtig succes heeft gemaakt. Malversatie van de predikanten en bestuurders heeft er voor gezorgd dat hij al maanden geen salaris heeft, en als hij aan het eind van dit jaar de leeftijd van AOW heeft bereid dan is er voor hem waarschijnlijk geen cent, omdat diezelfde baantjesjagende dominees en leiders zijn premie gedurende talloze jaren niet hebben betaald. Geen bron van inkomsten meer.

 

Ik weet niet, gemeente, of u mij volgen kunt, maar een intens gevoel van machteloosheid, verdriet en boosheid en van boosheid greep me aan. Hoe lang nog moeten de rijken en machtigen deze wereld ten onder houden in ongerechtigheid? Hoelang nog moeten kleine mensen de dupe worden van machtsmisbruik, corruptie, manipulatie, onderdrukking van de leiders?

 

Ik moet u bekennen, gemeente, dat ik in de jaren zeventig en tachtig grote moeite had met al die revolutionaire en ideologische theologie. Dat we de wereld moeten verbeteren. Dat we profetisch moeten optreden tegen de rijken en machtigen van deze aarde. Ik had een grondige hekel aan linkse theologie.

En nog altijd blijf ik daar heel sceptisch over. Alsof het kwaad alleen in de structuren zit. Alsof alleen de groten en machtigen en rijken en leiders het kwaad belichamen. Alsof het Rijk van God betekent dat wij er aan gaan staan om deze wereld een stuk beter te maken.

Maar je kunt niet ontkennen dat de Bijbel in menig opzicht juist deze verschrikkelijke orde van de wereld tot onderwerp heeft. Het gaat God om de redding van zijn wereld uit de greep van het kwaad.

 

Thuisgekomen kun je je weer verstoppen in je weelde. Denken dat het toch ver weg is. Dat we hier lekker veilig zitten. Overgaan tot de orde van een luxe leven. We kunnen het toch niet veranderen. We hebben tenslotte geen grote verhalen meer.

Maar ik moet u eerlijk zeggen dat ik niet zomaar tot die orde kon overgaan. Daarvoor zijn de verschillen te bizar. Je kunt het diepste van je hart weer spoedig het zwijgen opleggen. Maar je kunt misschien ook iets van een hernieuwd besef van de diepte van deze dingen toelaten. Dat we ons hier niet zomaar vanaf mogen maken. Een diep heimwee levend houden naar een wereld die wel naar Gods bedoeling diepe vrede kent en waarin menselijke verhoudingen niet meer bepaald worden door rivaliteit en eigenbelang. Waarin wat zwak en ontrecht is kracht krijgt en recht vindt. Waarin het diepe egoïsme van het beschermen van je eigen rijke belang is uitgezuiverd door genade. Verlangen naar Kanaän. Land van melk en honing voor iedereen.

 

En toen we deze week met het leesrooster over Salomo lazen, toen raakte me dat enorm, juist in dat licht. In 1 Koningen 3. Een jonge koning die niet door ambitie en eerzucht en niet door eigenbelang en zucht naar rijkdom wordt gedreven, maar die werkelijk het volk wil dienen en daarom rijkdom op de tweede plaats zet. Maak me wijs, God.

“Schenk uw dienaar een opmerkzame geest, zodat ik uw volk kan besturen en onderscheid kan maken tussen goed en kwaad.”

Zo’n verhaal krijgt tegen de achtergrond van alle misbruik van macht en van alle onrecht in de wereld wel een heel speciale kracht en betekenis.

Vaak bespeur je bij mensen en bij jezelf ook wel, dat er een soort grondgevoel is van: het is nu eenmaal zo, en dat zal altijd zo blijven.

Maar zo’n verhaal uit de Bijbel, zo’n figuur als een Salomo is ons gegeven om het besef levend te houden dat de wereld niet gedoemd is te mislukken. Dat het mogelijk is dat de mensheid, het samenleven, de volken werkelijk tot hun recht kunnen gaan komen.

Ik lees zo’n verhaal als genade.

En ik zing zo’n Psalm 72, waarin diezelfde Salomo het zuivere en goede van recht voor armen en verdrukten bezingt en een toekomst van heilrijke vrede, - die zing ik als lied van intense hoop.

Niet als een idealistische dromerij die toch nooit uitkomt, maar als een belofte voor het Godsrijk dat hoe dan ook zal doorbreken.

 

En wat me daarin ook trof, is wat ik twee weken geleden op zondagmorgen ook gezegd heb tegen zo’n tachtig of honderd meiden op een secundary school in het Keniaanse hoogland.

Ik heb gezegd: wij kijken nu zo makkelijk naar de grote kopstukken in Nairobi. Maar geweld, waar zit dat eigenlijk? En toen heb ik met ze de basale oefening gemaakt, die ik vaker maak. In catechese en dooponderwijs. Dat wij elkaars verlangens nabootsen, en daardoor onderhuids of soms openlijk met elkaar in botsing komen. Jullie slapen, zei ik tegen ze, met zijn twintigen of dertigen op een slaapzaal. Je zou eens een röntgenfoto van al jullie verhoudingen moeten hebben. Over wie jaloers is op wie. En wie diep van binnen iets minder mooie gedachten over die of die heeft. Zou zo’n foto er erg gunstig uitzien?    Ze waren eerlijk in hun antwoorden en hun reacties spraken boekdelen.

 

En dat is het treffende van dit hoofdstuk ook. Dat het aantoont dat het inderdaad op de slaapzaal begint. Bij de kleine vrouw of man. Bij die twee prostituees die elkaars diepe rivalen zijn, terwijl ze zo gelijk zijn. U kent het verhaal ongetwijfeld, van die twee. Met hun kinderen, waarvan er één doodgaat, en het andere door de moeder wiens kind sterft, gestolen wordt. En de wijsheid van Salomo om dan die rivaliteit te ontmaskeren!

Goede leiders weten een volk weg te leiden uit alle cirkels van onderling geweld en weten heilzaam voor te gaan. Het kwaad steekt echt niet alleen in de grote structuren en bij de grote heren.

Wie vanmorgen heeft zitten luisteren met de een basisgevoel dat het inderdaad over dingen ver weg gaat, heeft eigenlijk nog niet door wat die tachtig of honderd meiden in Kenia twee weken geleden wel door hadden.

Eigenlijk is het altijd en overal nodig: dat wij mensen wijze leiders hebben, die werkelijk tot op het bot beseffen waar het menselijk geweld zit. Namelijk in onze kleine verhoudingen. Wijsheid die onze menselijke rivaliteiten diep doorgrondt en wegen voor ons wijst waarin dat ontmaskerd wordt en echte vrede ons deel zal zijn.

Want daar ligt het diepste probleem van de mensheid.

Dat het precies over elkaar spiegelende mensen gaat, die twee vrouwen, over de diepste vormen van elkaar benijden, waarin Salomo zijn wijsheid dan toont, dat is niet toevallig. Eigenlijk heb je hier het oerrecept van menselijk samenleven, bedreigd door geweld, en het oerrecept van de bevrijding van menselijk samenleven, namelijk het ontmaskeren er van. Puur, zuiver leiderschap dat vrede brengt omdat het ’t geweld blootlegt. Alle macht die verdrukt zijn kracht ontneemt. Alle verdrukten recht doet en recht geeft.

 

En tenstlotte, gemeente, en dat is erg belangrijk: het is niet voor niets dat er altijd lijnen getrokken worden van deze wijze vorst Salomo naar Jezus Christus. Zo’n psalm 72 wordt, en dat is terecht, ook altijd betrokken op het koningschap van Jezus Christus.

Eigenlijk heb je hier het grondgegeven van het evangelie. Jezus heeft, nog dieper peilend dan Salomo, de wijsheid van de hemel onder de mensen gebracht. Maar vooral daarin ook wat mensen scheidt en tegen elkaar opzet feilloos aan de kaak gesteld.

In die zin is Jezus in de hoogste vorm vredevorst. Niet door een of andere onbestemde glorie uit te stralen en verering te eisen om eigen positie te benadrukken. Maar integendeel in al die diepmenselijke verhoudingen precies aan te wijzen waar het aan mankeert.

Daaraan is Hij gedood. Dat wist Hij ook. Maar dat heeft op indrukwekkende manier onrecht en machtsmisbruik en geweld openbaar gemaakt. “Vrede op aarde”, zijn levensmotto gezongen in de nacht van zijn geboorte.

En als je dat door krijgt dan is dat als het ontdekken van een schat in een akker. Je geeft alles op om die te kopen. Om die vrede gaat het.

Het is een parel, waarvoor je al je andere inzichten en rijkdommen opgeeft.

Verlangen naar Kanaän, land van belofte, waarvoor je heel je lege westerse leven zou willen opgeven. Land, samenleving waar vrede en gerechtigheid wonen, en wijsheid ons allen regeert.

 

Amen.